donderdag 12 maart 2015

Wat is een heupdysplasie?



Heupdysplasie of tewel (zuigelingenheup, Congenitale heupdysplasie (CHD) en heupluxatie (CHL)) wordt veroorzaakt door onvoldoende ontwikkeling van het heupgewricht. Het acetabulum (heupkom) dat het komvormige gedeelte van het bekken vormt, is te plat, niet volgroeid waardoor het bovenste deel van het dijbeen (heupkop of femurkop) onvoldoende wordt vastgehouden in het acetabulum.

 Soort:

Er worden drie zwaartegraden vastgesteld;












A*gezonde heup         B*dysplasie        C*subluxatie         D*luxatie


  • dysplasie, meestal is de heupkom te stijf of te steil, zodat de heupkop niet
    perfect in de kom ligt.  De heup is door manipulatie luxeerbaar.
  • subluxatie, de heupkop is slechts gedeeltelijk binnen de heupkom
  •  luxatie, de heupkop ligt volledig buiten de heupkom


Oorzaak

Deze afwijking komt meer voor bij meisjes dan bij jongens. Meestal is het bij de geboorte al te zien. Het is nog niet bekend waardoor de afwijking ontstaat, wel zijn er factoren die een heupdysplasie kunnen veroorzaken.
Factoren tijdens de zwangerschap:
  • Verstoringen in de aanleg van het bot en de spieren (vaak zijn er meer afwijkingen zoals voetafwijkingen)
  • Mechanische problemen in de baarmoeder zoals weinig vruchtwater en een stuitligging (met name volkomen stuitligging). Daardoor ook vaker bij het eerste kind door de nog strakke baarmoeder.
  • De hormonen van de moeder die zorgen voor de versoepeling van de banden en spieren rond het bekken, hebben ook hun invloed op het kind.   
Genetische factoren:  

  • Het volgende kind heeft 6% kans als het zusje/broertje DDH heeft en de ouders gezond zijn.
  • Heeft één van de ouders DDH dan heeft het kind 12% kans op DDH
  • Heeft een ouder en een broertje DDH dan is de kans 36%
Ras-gebonden factoren:

  • Komt zelden voor bij Chinezen en zwarte Afrikanen

Symptomen heupdysplasie
Niet alle symptomen behoeven even duidelijk aanwezig te zijn. Meest duidelijk zijn:
  • Ongelijke beenlengte (de heup is dan al uit de kom)
  • Het beentje kan niet naar buiten worden gelegd (kikkerpositie). Het beentje moet gemakkelijk in een hoek van 75° naar buiten kunnen worden gelegd.
  • Er zijn asymmetrische plooien in bil en beentje

Diagnostiek
Nadat de dokter een anamnese heeft opgenomen zal hij uw kindje willen onderzoeken. Daarbij zal hij het hele lichaampje willen bekijken, omdat er soms ook andere ook orthopaedische afwijkingen kunnen voorkomen. Daarna komt het specifieke onderzoek van de heupjes.

Abductie test



Bij de abductie test worden de beentjes in de spreid- of kikkerstand gebracht en wordt er gekeken of dit soepel en voldoende ver kan. Een duidelijke beperking van een kant is suggestief voor een heupprobleem.


Galeazzi test

Bij de Galeazzi test wordt gekeken of de bovenbeentjes even lang zijn door ze met beide heupjes gebogen naast elkaar te houden en te kijken of de knietjes even hoog staan.



Ortolani test

Als de heup uit de kom ligt, kan deze er met een knappende sensatie weer worden ingezet. Dit wordt de Ortolani test genoemd.

Barlow test

Een heup die niet stabiel is kan door druk vanuit de lies uit de kom schieten en er door druk vanuit de bil weer worden ingezet. Dit is de Barlow test.

Bilplooi asymmetrie

Dit is een meting die niet erg betrouwbaar is.

Röntgenfoto

Na het lichamelijk onderzoek kan er dus een reden zijn om verder te kijken met een Röntgenfoto of een Echografie. Een röntgenfoto is pas zinvol als de heupkop al begonnen is met de ontwikkeling van de kopkern en ook de ontwikkeling van het bot van de kom al voldoende is gevorderd. Dit is meestal met 3-4 maanden het geval. Dit is echter ook de leeftijd waarin we moeten starten met een behandeling om deze succesvol te laten zijn. De dokter zal op deze foto een aantal lijnen tekenen om te beoordelen of de heup normaal of abnormaal is. Ook de hoeken tussen deze lijnen worden zorgvuldig gemeten en vergeleken met een grafiek. De hoeken waarbinnen de waarden mogen liggen verschillen namelijk met de leeftijd door de groei van de heup. De figuur links laat een bekkenfoto zien waarbij de de beide heupjes ernstig dysplastisch zijn ontwikkeld en geluxeerd.

Echografie

De echografie van het kinderheupje werd in 1978 door Dr. Graf ontwikkeld. Het is een onschadelijk onderzoek doordat er geen röntgenstralen aan te pas komen, echter de beoordeling is moeilijk en men heeft steeds meer twijfel of de methode voldoende betrouwbaar is om op te varen in de diagnostiek. In het ideale geval wordt het kind op de leeftijd van 4-6 weken onderzocht (figuur rechts). Ook de MRI-scan is een theoretisch zeer waardevol onderzoek. Echter omdat uw baby heel stil moet blijven liggen is dan vaak een roesje of narcose nodig, hetgeen natuurlijk ook risico’s heeft.

Behandeling
Er zijn verschillende behandelingen die kunnen plaatsvinden, meestal wordt heupdysplasie gelijk geholpen op jongere leeftijd, op oudere leeftijd komt het zeer zelden voor.
De behandeling van een heupdysplasie is berust en het spreiden van de benen, waardoor de heupkop optimaal in de heupkom wordt gepositioneerd. hiernaast wordt deze behandeling ondersteund door verschillende methodes, zoals;
Ideaalspreider
De ideaalspreider wordt samengesteld uit twee schuimrubber banden die om de bovenbenen worden geslagen en ze zo in een gespreide houding dwingen. De banden worden met een katoenen en schuimrubbere borstband, die over de schouders lopen, op zijn plaats gehouden. De benen kunnen nog een beetje worden bewogen.
Beckerspreider
Dit is een broekje van plastic met een inleg van schuimrubber, dat de benen in een gespreide houding dwingt. Het wordt over de kleren gedragen en is met banden aan het bovenlichaam bevestigd.



Pavlik-bandage
De Pavlik-bandage houdt de benen gespreid, door de voeten omhoog te trekken. Een voetmanchet wordt verbonden met een tuigje dat rond het bovenlichaam van het kind wordt gebonden.





Campspreider
De benen wordt gespreid gehouden door een stalen verbinding tussen twee manchetten die rond het dijbeen zijn aangebracht. Dit geheel is verbonden met een kunststof rugdeel met buikband. Door de stalen verbinding wordt de spreidstand relatief sterk geïmmobiliseerd.



Spreidbeugel  





De spreidbeugel is afgeleid van de campspreider, 
het dijbeenmanchet is echter met een scharniertje
met het rugdeel verbonden. Hierdoor hebben de 
benen nog een beetje bewegingsvrijheid.






Tractie
De benen van de baby worden met touwen, die verticaal weglopen, met behulp van een katrolmechanisme met gewichten verbonden. De benen worden in een haakse hoek met het lichaam gehouden. Het kind ligt op de rug en het lichaam wordt in deze positie gefixeerd. De verkorte spieren van het heupgewricht worden door de gewichten voorzichtig opgerekt. Met regelmatige tussenpozen worden de katrollen uit elkaar bewogen. Hierdoor worden de benen steeds meer van elkaar gespreid. Deze behandeling kan zes dagen tot enkele weken in beslag nemen.

Gipsbroek
Een gipsbroek volgt meestal op de tractie. Voor een gipsbroek wordt gekozen, indien de mate van luxatie groot is. Het gips zorgt ervoor dat de door de tractie gereponeerde heupkop in de heupkom wordt geïmmobiliseerd.




 










Operatie
Een operatie komt niet zovaak voor, en al helemaal niet bij jonge kinderen. als de voorgaande behandeling niet effectief zijn wordt er voor gekozen om het operatief te doen. Er zijn verschillende manieren waarop er geopereerd worden. 

Open repositie; Deze operatie houdt in dat de heupkop door een operatie in de kom wordt gebracht. Soms wordt die gecombineerd met een femurosteotomie of een bekkenosteotomie. De kinderorthopeed gaat over tot deze ingreep als met de normale spreid behandeling of zelfs met tractie de geluxeerde heup niet in de kom is te brengen. De nabehandeling bestaat uit een gipsbroek.
Femur-osteotomie; Het doel van deze operatie is eveneens het beter bedekken van de heupkop hierbij wordt de heupkop van het bot losgemaakt, opnieuw gepositioneerd en daarna weer met het bot verbonden.
Bekkenosteotomie; Het doel is om de kom beter over de kop te draaien, zodat het gewicht dragende contactvlak tussen heupkop en -kom vergroot wordt. Zo wordt de heup stabiel gemaakt en kan hij niet meer uit de kom gaan.


Opname ziekenhuis
Bij de opname in het ziekenhuis, wordt er eerst onderzoek gedaan met behulp van een echografisch onderzoek en een rontgenfoto. Wanneer de diagnose is vastgesteld wordt er gestart met de behandeling. Er wordt gekozen voor een tractie van 2 weken. Er zijn 3 fases waarin het kind zich zal bevinden.

Fase 1
In deze fase worden de benen van het kind in de richting 
van het voeteneind getrokken.De beentjes liggen
daarbij naast elkaar.Dit wordt  ‘horizontale tractie’
genoemd.


Fase 2 
In deze fase wijzen de beentjes in een hoek van 90 graden omhoog, waarbij de voeten naar het plafond wijzen. Dit wordt ‘verticale tractie’ genoemd.

Fase 3
In deze fase worden de benen stapsgewijs in een spreidstand gebracht.



Verzorging tijdens de opname
Tijdens de tractiebehandeling kan het kind niet in bad. Daarom verzorgen en wassen
de verpeegkundige het kind op bed. Een ouder stimuleren om hiermee te helpen is van belang.
’s Ochtends wordt het kind gewassen. Hierbij wassen de verpleegkundige de beentjes en masseren ze ze met crème (Deculest). Dit om de huid van de beentjes te inspecteren en de doorbloeding te stimuleren. Vervolgens zwachtelen de verpleegkundige de beentjes in.
Het kind kan geen broekje aan. Om koude voetjes te voorkomen worden er warme sokken gedragen.
Soms vinden kinderen het eten lastig tijdens een tractiebehandeling, omdat ze liggen. Daarom is het van belang om een kussen onder het hoofd en de rug te leggen, zo heeft het kind het gevoel alsof hij rechtop zit. Als het eten niet gaat, dan wordt er door ons (verpleegkundige) een dietiste in consult gevraagd.

Bij pijn, door dat de spieren oprekken, worden er zetpillen gegeven tegen de pijn, zo kan het kind beter slapen.

Tijdens de opname proberen we zo veel mogelijk het ritme van thuis aan te houden. Daarom wordt er een dagprogramma gemaakt. Met een aantal activiteiten voor het kind.
Tijdens de behandeling ligt het kind een lange tijd in dezelfde omgeving. Daarom wordt er aan de ouder gevraagd of er wat geschikt speelgoed vanuit huis meegenomen kan worden. zo kan het kind zich liggend vermaken. Bijvoorbeeld een speelmobiel voor aan de tractieboog.

Als verpleegkundige is het ook belangrijk om te observeren hoe het met de ouder gaat, de meeste ouders vinden het verschrikkelijk om hun kind zo te zien, speciaal op zo een jonge leeftijd. In gevallen van verdriet en geen acceptatie van de situatie wordt er maatschappelijk werk ingeschakeld voor de ouder.

Einde klinische peridoe
 Als alle fasen zijn doorlopen, controleert de orthopeed het resultaat van de tractiebehandeling. Bij dit onderzoek (een artrogram) worden foto’s gemaakt van het heupgewricht. Dit gebeurt op de operatiekamer
en gaat als volgt; Het kind krijgt een lichte narcose. De orthopeed spuit contrastvloeistof in het heupgewricht. Deze vloeistof zorgt dat het gewricht goed te zien is op een röntgenfoto. Daarna worden er röntgendoorlichting foto’s gemaakt.
Als op de röntgenfoto’s blijkt dat de heupkop weer in de kom zit, leggen de  orthopeed en de gipsverbandmeester direct op de operatieafdeling een gipsbroek bij het kind aan. De benen worden in de beste positie geplaatst ten opzichte van het bekken en zo ingegipst.

Gipsbroek

 
De gispbroek bestaat uit een gipsverband dat vanaf het middel tot aan de enkels of tenen van het kind loopt. In het kruis zit een uitsparing. Aan de binnenkant van het gips zitten een zachte wattenlaag en een stoffen bekleding die de huid beschermen. Door de gipsbroek kan het kind niet vrij bewegen. Maar jonge kinderen wennen daar vaak snel aan. Gipsbroek wordt ongeveer 12 weken gedragen.




 

Ontslag (thuissituatie)
Wanneer het kind een gipsbroek heeft gekregen, kan het kind naar huis. Gipsbroek moet dus 12 weken gedragen worden. Er wordt gelijk een afspraak gemaakt voor gipscontrole.
Tweemaal voor een controle op de Gipskamer
- Na twee weken
- Na 6 weken
De gipsverbandmeester controleert de gipsbroek, maar verwijdert deze nog niet.
Na zes weken wordt er een röntgenfoto gemaakt, om te kijken of de heupen nog steeds goed in de kom zitten.


Na ongeveer drie maanden verwijdert de gipsverbandmeester
het gips en worden er opnieuw foto’s gemaakt.
De orthopeed beoordeelt deze foto’s 
en wordt er afgesproken dat er nog een spreidbroek moet
worden gedragen voor een jaar. 

De spreidbroek moet 23 uur per dag gedragen worden. Alleen tijdens het wassen of omkleden mag de beugel even af.










Een Fysiotherapeut wordt ingeschakeld wanneer er een spreidbroek moet worden gedragen om de ontwikkeling van het kind voort te zetten.






Na het ontslag zijn er belangrijke factoren waar de ouder op moet letten bij het kind. Wij als verpleegkundige geven dit advies mee.




Houding
Het kind ligt steeds op zijn rug. Om te voorkomen dat er te veel druk op de rug
ontstaat, is het belangrijk dat er altijd een kussen onder de beentjes ligt. Zo blijft de rug recht en wordt zwelling van de voetjes voorkomen.

Optillen
bij het optillen is het belangrijk dat de gipsbroek wordt ondersteund.
Dit houdt de onderrug van het kind recht en maakt het tillen bovendien gemakkelijker.


Verzorging gipsbroek
Een natte en vuile gipsbroek ruikt vies en
kan huidirritatie en wondjes veroorzaken. Daarom moet het kind minimaal iedere
drie uur verschoond worden. Het kind mag niet in bad, dus de hygiëne vraagt extra aandacht.
Door grote luiers te gebruiken kan de ouder voorkomen dat het gips nat wordt.

Vervoer
Het kind past met de gipsbroek aan niet meer in een normale autostoel en wandelwagen. er zijn speciale hulpmiddelen te huur om het kind te vervoeren.




De behandeling met een spreidbeugel doet geen pijn en remt het kind niet in de ontwikkeling.
Binnen het jaar moet er regelmatig om de 2 maaanden op de poli gecontroleerd worden hoe de situatie van de heup is.